De kostuums.  
De dansers gaan gekleed in het oud- Fries kostuum zoals dat in de periode 1850 - 1860 in Friesland werd gedragen. Het is het kostuum van de rijke boer en boerin, dit is ondermeer te zien aan het leren schoeisel dat gedragen wordt, dus géén klompen, maar zeker ook aan de rijke sieraden die bij het kostuum worden gedragen.
Het meest opvallende deel is wel het oorijzer dat de dames dragen.
Het oorijzer is in de ontwikkeling van de klederdracht een soort 'statussymbool' geworden, men onderscheidt het gouden, maar ook het zilveren, het 'breedgouden', maar ook het 'smalgouden' oorijzer.
Verder dragen de dames de zogenaamde chatalaine, die aan de band van de rok wordt gedragen, als een symbolisch teken van nijverheid, met o.a. een schaar, naaldenkoker en speldenkussen.
De kostuums die door de dansgroep worden gedragen zijn gemaakt volgens oude patronen en van de natuurlijke stoffen zoals zijde, wol en damast, die ook in de tijd van het kostuum verkrijgbaar waren.
Het spreekt vanzelf dat de kostuums tot in de details origineel moeten zijn.




De heren zijn wat minder opvallend gekleed, ook al zijn ook zij duidelijk herkenbaar als Fries, met de hoge hoed, slipjas en de blauwe kousen. Het zijden of damasten vest geeft de nodige kleur aan het geheel. Ook de heren dragen opvallende sieraden, waar onder het horlogeketting en de zogenaamde signetten, met de lakstempel, pijpenstopper en horlogesleutel, die ook weer duidelijk de rijkdom van de boer laten zien.